ECLI:NL:CRVB:2018:1264
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening bijstandsuitkering wegens niet gemelde kasstortingen en bijschrijvingen
Appellante ontvangt sinds 2012 bijstand als alleenstaande ouder en heeft vier kinderen, waarvan één bij haar woont. Naar aanleiding van een melding over ontvangen kinderalimentatie is een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van haar bijstand. Dit onderzoek bracht aan het licht dat appellante naast kinderalimentatie ook kasstortingen en bijschrijvingen op haar bankrekening ontving die niet waren gemeld.
Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam besloot daarop in januari 2016 het recht op bijstand te herzien en een bedrag van € 32.491,48 terug te vorderen over de periode augustus 2012 tot en met augustus 2015. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen dit besluit ongegrond, omdat de stortingen als inkomsten werden aangemerkt die zij vrijelijk kon aanwenden voor levensonderhoud.
In hoger beroep herhaalde appellante haar standpunten, waaronder dat het ging om incidentele bedragen en dat niet alle stortingen voor haar bedoeld waren. Ook beriep zij zich op het vertrouwensbeginsel. De Raad oordeelde dat de gronden van appellante onvoldoende waren om het oordeel van de rechtbank te wijzigen. Zij leverde geen bewijs dat zij niet over de bedragen kon beschikken en er was geen ondubbelzinnige toezegging dat alleen kinderalimentatie zou worden gekort. Het hoger beroep wordt daarom verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.