Uitspraak
17.1552 AOR
OVERWEGINGEN
BESLISSING
.
Centrale Raad van Beroep
Appellante, geboren in 1936, diende in september 2015 een aanvraag in bij de Pensioen- en Uitkeringsraad op grond van de Algemene Oorlogsongevallenregeling (AOR). Verweerder stelde bij besluit vast dat appellante oorlogsletsel heeft in de vorm van psychische klachten, maar dat deze niet leiden tot arbeidsongeschiktheid. Hierdoor werd geen invaliditeitsuitkering toegekend. Tevens werd het verzoek om vergoeding van huishoudelijke hulp afgewezen wegens het ontbreken van medische noodzaak.
In bezwaar en beroep voerde appellante aan dat haar arbeidsongeschiktheid werd onderschat en dat de afwijzing van huishoudelijke hulp onterecht was. Zij overlegde medische rapporten van arts G.J. Laatsch, die een hogere mate van beperkingen en een noodzaak voor huishoudelijke hulp stelde. De Raad liet geneeskundig adviseurs Morrema en Roelofs appellante onderzoeken, die concludeerden dat de beperkingen beperkt zijn en geen medische noodzaak voor huishoudelijke hulp bestaat.
De Raad oordeelde dat het bestreden besluit zorgvuldig en gemotiveerd is voorbereid en dat het rapport van Laatsch onvoldoende aanleiding geeft tot een ander oordeel. Ook een nadere reactie van Laatsch werd door een andere geneeskundig adviseur beoordeeld als een herhaling zonder nieuwe inzichten. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en de afwijzing van de invaliditeitsuitkering en huishoudelijke hulp gehandhaafd.
Uitkomst: Het beroep van appellante wordt ongegrond verklaard en het besluit tot afwijzing van invaliditeitsuitkering en huishoudelijke hulp wordt gehandhaafd.