Uitspraak
17.277 AOR
OVERWEGINGEN
.
Centrale Raad van Beroep
Appellante, geboren in 1946, verzocht om erkenning als oorlogsgetroffene op grond van de Algemene Oorlogsongevallenregeling (AOR). Verweerder wees de aanvraag af omdat niet aannemelijk was gemaakt dat appellante in de relevante periode in Nederlands-Indië oorlogsgerelateerde gebeurtenissen had meegemaakt.
De Raad stelde vast dat appellante geen bewuste herinneringen heeft aan de oorlogsjaren en dat de verklaringen van familieleden en beschikbare dossiers onvoldoende bewijs boden voor het meemaken van oorlogsgebeurtenissen zoals bedoeld in de AOR. Een specifieke gebeurtenis die appellante aanvoerde kon niet worden bevestigd door andere bronnen.
Appellante verzocht om toepassing van een anti-hardheidsbepaling omdat haar broer en zus wel erkend waren, maar een dergelijke bepaling ontbreekt in de AOR. Bovendien waren de omstandigheden van haar broer en zus niet identiek en vonden hun erkenningen plaats op basis van gebeurtenissen vóór haar geboorte.
De Raad oordeelde dat het bestreden besluit rechtmatig is en verklaarde het beroep ongegrond. Er werd geen aanleiding gezien voor toewijzing van proceskosten.
Uitkomst: Het beroep van appellante wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende bewijs van het meemaken van oorlogsgebeurtenissen in de zin van de AOR.