Uitspraak
BESLISSING
- verklaart het verzet ongegrond;
- bepaalt dat het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 124,- door de griffier van de
Centrale Raad van Beroep
Appellant had hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Amsterdam, maar de Centrale Raad van Beroep verklaarde het hoger beroep niet-ontvankelijk omdat het griffierecht niet tijdig was betaald. Appellant maakte in verzet bezwaar tegen deze beslissing en stelde dat het griffierecht binnen de termijn was voldaan.
Tijdens de behandeling van het verzet bleek uit het overgelegde bankafschrift dat het griffierecht pas op 12 juli 2017 was overgemaakt, terwijl de termijn eindigde op 6 juni 2017. De Raad ontving het griffierecht pas op 13 juli 2017, wat ruim na de gestelde termijn was. Appellant bracht geen feiten of omstandigheden aan die het verzuim konden rechtvaardigen.
De Raad oordeelde daarom dat het verzet ongegrond is. Wel wordt het te laat betaalde griffierecht van €124,- aan appellant terugbetaald. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten van het verzet. De uitspraak is mondeling gedaan door de enkelvoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 1 mei 2018.
Uitkomst: Het verzet wordt ongegrond verklaard en het te laat betaalde griffierecht wordt terugbetaald.