ECLI:NL:CRVB:2018:1424
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing erkenning als burger-oorlogsslachtoffer op grond van Wubo en AOR
Appellant, geboren in 1949, verzocht om erkenning als burger-oorlogsslachtoffer op grond van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo) en de Algemene oorlogsongevallenregeling (AOR). Hij stelde dat hij kort na zijn geboorte een bombardement had meegemaakt en mishandeld was door Japanners en Indonesische extremisten. De Pensioen- en Uitkeringsraad wees deze aanvragen af wegens onvoldoende bewijs.
De Raad beoordeelde of appellant direct betrokken was bij oorlogsgeweld binnen de korte periode tussen zijn geboorte en de soevereiniteitsoverdracht in december 1949, zoals vereist door de Wubo. Uit de beschikbare gegevens, waaronder dossiers van moeder en zusters, bleek geen bevestiging van het bombardement of mishandeling. De erkenningen van zijn moeder en zusters betroffen gebeurtenissen vóór zijn geboorte. Het achterlaten door ouders vond plaats na de soevereiniteitsoverdracht en kwalificeert niet als oorlogsgeweld.
Voor de AOR geldt dat appellant gebeurtenissen als bedoeld in die regeling moet hebben meegemaakt. Het eigen relaas volstaat niet als bewijs en de gebeurtenis van het achtergelaten worden wordt gezien als een algemene oorlogservaring, niet als een specifieke gebeurtenis binnen de AOR.
Daarom kon appellant niet worden erkend als getroffene van oorlogsgeweld onder de Wubo of AOR. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard omdat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij oorlogsgeweld heeft meegemaakt binnen de relevante periodes van de Wubo en AOR.