Verzoekster, werkzaam bij een penitentiaire inrichting, liep in 2005 tijdens verplichte dienstsport een knieblessure op die als dienstongeval werd erkend. De minister weigerde aansprakelijkheid en schadevergoeding, maar kende wel een bedrag van €10.000 toe wegens tekortkomingen in het re-integratietraject. De rechtbank en de Raad bevestigden deze besluiten, waarbij de Raad oordeelde dat de minister zijn zorgplicht niet had geschonden.
Verzoekster vroeg herziening van de uitspraak uit 2013, stellende dat de minister nalatig was geweest door geen medisch advies in te winnen en dat er onjuiste medische informatie was verstrekt. Zij voerde nieuwe verklaringen en documenten aan, waaronder een verklaring van de sportinstructeur en een psychologenverklaring.
De Raad oordeelde dat deze stukken niet als nieuwe feiten konden worden aangemerkt omdat ze voor de eerdere uitspraak bekend of redelijkerwijs bekend hadden kunnen zijn. Ook was de schade wegens verstrekte gegevens aan het UWV geen onderwerp van het eerdere geschil. Daarom werd het verzoek om herziening afgewezen. Er werden geen proceskosten toegekend.