ECLI:NL:CRVB:2018:1589
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- A. Stehouwer
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijstandsaanvraag wegens gezamenlijke huishouding met wederzijdse zorg
Appellante vroeg bijstand aan op grond van de Participatiewet naar de norm voor een alleenstaande. Het college wees de aanvraag af omdat zij een gezamenlijke huishouding zou voeren met een ander persoon, wat betekent dat zij geen recht heeft op bijstand als alleenstaande.
De voorzieningenrechter verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond. In hoger beroep stelde appellante dat er geen sprake was van financiële verstrengeling en dus ook niet van wederzijdse zorg, wat vereist is voor een gezamenlijke huishouding.
De Raad oordeelde dat de bewijslast voor bijstandbehoevendheid bij de aanvrager ligt en dat de gezamenlijke huishouding objectief moet worden vastgesteld. Appellante had haar hoofdverblijf bij de ander, en er was sprake van meer dan incidentele wederzijdse zorg, zoals gezamenlijk gebruik van woning en goederen, gezamenlijk koken en wassen.
Daarom werd het hoger beroep afgewezen en de afwijzing van de bijstandsaanvraag bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: De bijstandsaanvraag wordt afgewezen wegens het voeren van een gezamenlijke huishouding met wederzijdse zorg.