Uitspraak
16.6386 NIOAW
.Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Hermans. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door R. Ivanoví. In de zaak 16/3377 NIOAW wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.
Centrale Raad van Beroep
Appellant ontving sinds december 2013 een uitkering en bijzondere bijstand, ingeschreven op een uitkeringsadres. Na signalen dat appellant niet op dat adres woonde, verrichtte de sociale recherche onderzoek, waaronder waarnemingen, watermeterstanden en een huisbezoek.
Het college trok de uitkering in per 20 december 2013 wegens het ontbreken van hoofdverblijf op het uitkeringsadres, gebaseerd op extreem laag water- en energieverbruik. Appellant voerde aan dat het waterverbruik hoger was volgens afrekeningen, maar dit werd door de Raad niet gevolgd vanwege de fictieve aard van die afrekeningen.
Appellant stelde ook dat hij weinig water gebruikte vanwege huidproblemen en vaak afwezig was, maar dit was onvoldoende aannemelijk gemaakt. De Raad oordeelde dat het college terecht het recht op uitkering niet kon vaststellen en de uitkering heeft ingetrokken. De terugvordering werd niet in hoger beroep behandeld. Het verzoek tot schadevergoeding werd afgewezen.
Uitkomst: De intrekking van de bijstandsuitkering wordt bevestigd wegens het ontbreken van hoofdverblijf op het uitkeringsadres.