Uitspraak
16.7274 BBZ
OVERWEGINGEN
BESLISSING
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.
Centrale Raad van Beroep
Appellant kreeg bijstand toegekend in de vorm van een renteloze lening op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004, met als woonadres een opgegeven adres in Den Haag. Na een melding van een consulent en een onderzoek door de gemeente bleek dat appellant niet op dat adres woonde; de woning was leeg en werd door anderen gehuurd.
Het college besloot daarom de verleende bijstand over de periode van 17 december 2015 tot en met 31 januari 2016 terug te vorderen, omdat appellant de inlichtingenplicht uit artikel 17 van Pro de Participatiewet had geschonden door niet te melden dat hij niet op het opgegeven adres verbleef.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en in hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dit oordeel. Appellant voerde aan dat hij te goeder trouw de woning had gehuurd en dat hij met toestemming van het college tijdelijk in Suriname verbleef, maar dit werd niet aannemelijk gemaakt.
De Raad oordeelde dat de feitelijke woonsituatie bepalend is en dat appellant geen feitelijk verblijf op het opgegeven adres had. Het hoger beroep werd verworpen en het verzoek tot schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: De terugvordering van bijstand wegens niet-wonen op het opgegeven adres wordt bevestigd en het verzoek tot schadevergoeding afgewezen.