ECLI:NL:CRVB:2018:1740
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant, laatst werkzaam als schoonmaker en postsorteerder, meldde zich ziek met nek- en armklachten en vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde vast dat zijn arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bedroeg en weigerde de uitkering. Appellant voerde aan dat zijn psychische beperkingen onvoldoende waren meegewogen en dat de FML niet juist was.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarbij zij het standpunt van de verzekeringsarts onderschreef dat de door appellant ingebrachte psychiatrische diagnose niet strookte met de medische gegevens. Appellant ging in hoger beroep en verzocht om een psychiatrisch onderzoek.
De Raad liet een deskundige een psychiatrische expertise verrichten, die concludeerde dat de diagnose ernstige depressieve stoornis niet voldoende was onderbouwd en dat er geen meer beperkingen waren dan in de FML waren vastgelegd. De Raad volgde dit oordeel en oordeelde dat de voorbeeldfuncties passend waren.
Het hoger beroep werd afgewezen en het verzoek om schadevergoeding geweigerd. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.