ECLI:NL:CRVB:2018:1779

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
7 juni 2018
Publicatiedatum
18 juni 2018
Zaaknummer
17/1450 ANW-V
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verzet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55 AwbArt. 8:108 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet ongegrond wegens niet tijdig betalen griffierecht in hoger beroep sociale verzekeringszaak

Appellante heeft in hoger beroep niet tijdig het griffierecht betaald en het hogerberoepschrift niet binnen de termijn ingediend, waardoor het beroep niet-ontvankelijk werd verklaard.

In het verzet stelde appellante dat zij het griffierecht contant had voldaan via een aangetekende brief van 10 april 2017, maar zij kon dit niet met stukken onderbouwen. De Raad adviseerde haar om bij het postbedrijf in Marokko navraag te doen over de verzending van deze brief.

Appellante bood later aan het griffierecht alsnog te betalen en verzocht om een nieuwe acceptgirokaart, maar de Raad oordeelde dat het wettelijke stelsel geen ruimte biedt voor een nieuwe betalingstermijn en dat de overschrijding van de beroepstermijn niet verschoonbaar is.

Daarom werd het verzet ongegrond verklaard en is geen aanleiding voor een veroordeling in proceskosten.

Uitkomst: Het verzet van appellante wordt ongegrond verklaard wegens niet tijdige betaling van het griffierecht en geen verschoonbare overschrijding van de beroepstermijn.

Uitspraak

Datum uitspraak: 7 juni 2018
17/1450 ANW-V
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak, bedoeld in de artikelen 8:55, zevende lid, en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 12 oktober 2016, 15/6145
(aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] , Marokko (appellante)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank
Zitting heeft: H.C.P. Venema
Griffier: N.L. Kuipers
Ter zitting is niemand verschenen

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzet ongegrond.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

Bij uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht van 8 september 2017 heeft de Raad het hoger beroep van appellante tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard omdat het griffierecht niet binnen de gestelde termijn is betaald en het hogerberoepschrift niet binnen de termijn is ingediend.
In het verzetschrift heeft appellante aangevoerd dat zij het griffierecht bij - aangetekend verzonden - brief van 10 april 2017 contant heeft betaald.
Bij brief van 7 februari 2018 heeft de Raad appellante geadviseerd bij het postbedrijf in Marokko te informeren naar de verzending van haar brief. Voorts heeft de Raad appellante verzocht te motiveren waarom de Raad niet tot het oordeel kon komen dat zij geen goede reden had voor overschrijding van de beroepstermijn.
Appellante heeft bij brief van 25 april 2018 gereageerd met de mededeling dat zij bereid is het verschuldigde griffierecht opnieuw te voldoen en verzocht om toezending van een nieuwe acceptgirokaart.
De Raad is van oordeel dat appellante in verzet geen feiten of omstandigheden heeft aangevoerd op grond waarvan zou moeten worden geoordeeld dat zij niet in verzuim is geweest. Appellante heeft de aangetekende verzending van de brief van 10 april 2017 niet met stukken onderbouwd. Het wettelijke stelsel biedt geen ruimte om appellante een nieuwe termijn voor betaling van het griffierecht te gunnen. Appellante heeft geen gronden aangevoerd die leiden tot het oordeel dat de overschrijding van de beroepstermijn verschoonbaar is.
Voor een veroordeling in de proceskosten van het verzet is geen aanleiding.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier De voorzitter
(getekend) N.L. Kuipers (getekend) H.C.P. Venema

IJ