Appellante ontving studiefinanciering voor uitwonende studenten, maar de minister herzag dit op basis van een onderzoek naar haar woonsituatie, uitgevoerd door twee controleurs van een privaat bedrijf. Deze controleurs waren echter onbevoegd omdat zij niet in loondienst waren bij het bedrijf, waardoor de bevindingen onrechtmatig verkregen en als bewijs ontoelaatbaar zijn.
De minister baseerde het besluit om appellante als thuiswonende studente aan te merken en een bedrag terug te vorderen, evenals de boeteoplegging, op dit onderzoek. Zonder deze bevindingen ontbreekt een deugdelijke motivering voor het besluit. De rechtbank had dit motiveringsgebrek niet onderkend en verklaarde het beroep ongegrond.
De Raad vernietigt daarom het bestreden besluit en herroept de eerdere besluiten tot herziening en boeteoplegging. Daarnaast oordeelt de Raad dat de redelijke termijn voor de procedure is overschreden met ruim vijf maanden respectievelijk bijna zes maanden, wat leidt tot een schadevergoeding van € 1.000,- aan appellante.
De Raad veroordeelt de Staat der Nederlanden tot betaling van deze vergoeding en de minister tot vergoeding van de proceskosten van appellante. De uitspraak vervangt het bestreden besluit en bevestigt het belang van zorgvuldige en bevoegde uitvoering van toezicht bij studiefinanciering.