ECLI:NL:CRVB:2018:1933
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.T.H. Zimmerman
- Rechtspraak.nl
Beoordeling draagkracht bij bijzondere bijstand voor woninginrichting
Appellante vroeg bijzondere bijstand aan voor woninginrichting ter waarde van €3.900,-. Het college wees de aanvraag af omdat appellante op het moment van aanvraag over een positief banksaldo van €5.737,- beschikte, waaruit de kosten konden worden voldaan.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond. In hoger beroep betoogde appellante dat bij bijzondere omstandigheden het bedrag op de rekening niet relevant is omdat een bijstandsgerechtigde een buffer moet kunnen aanhouden voor onverwachte kosten. De Raad oordeelde dat artikel 35 lid 1 PW Pro het college de vrijheid geeft de draagkracht vast te stellen zonder gebonden te zijn aan de vermogensgrens uit artikel 34 lid 2 PW Pro.
Appellante kon niet aannemelijk maken dat het saldo op haar rekening was gereserveerd voor belastingbetalingen of schulden. De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de bijzondere bijstand bevestigd.