ECLI:NL:CRVB:2018:1989
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- A. Stehouwer
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen intrekking bijstandsuitkering wegens schending inlichtingenplicht
Appellante ontving sinds 2010 bijstand op grond van de Participatiewet en verbleef volgens opgave in een garage. Het college stelde een onderzoek in naar haar woon- en leefsituatie en constateerde dat appellante onvoldoende informatie verstrekte. Hierdoor werd de bijstand vanaf juni 2016 opgeschort en later ingetrokken met terugvordering van kosten.
Appellante stelde bezwaar tegen beide besluiten, maar haar beroepschrift richtte zich aanvankelijk alleen tegen het eerste besluit, terwijl het tweede besluit pas later werd toegevoegd. De rechtbank verklaarde het beroep tegen het tweede besluit niet-ontvankelijk wegens te late indiening en oordeelde dat het beroep tegen het eerste besluit geen belang meer had.
In hoger beroep betoogde appellante dat het ontbreken van het tweede besluit in het pro forma beroepschrift een vergissing was en dat dit verzuim hersteld was met haar nadere gronden. De Raad oordeelde echter dat geen sprake was van een verzuim dat hersteld kon worden, omdat het pro forma beroepschrift duidelijk alleen tegen het eerste besluit was gericht.
De Raad bevestigde daarom de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep tegen het tweede besluit en het gebrek aan belang bij het beroep tegen het eerste besluit, waardoor het hoger beroep werd afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard en de intrekking van de bijstand blijft gehandhaafd.