Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2018:2049

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
5 juli 2018
Publicatiedatum
5 juli 2018
Zaaknummer
16/6957 AOW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:19 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging besluit executoriaal derdenbeslag op AOW-pensioen en afwijzing schadevergoeding

Appellant had bezwaar gemaakt tegen een besluit van de Sociale verzekeringsbank (Svb) waarbij een executoriaal derdenbeslag werd gelegd op zijn AOW-pensioen. De rechtbank had het bezwaar ongegrond verklaard en het beroep tegen het terugstortingsbesluit niet-ontvankelijk wegens gebrek aan procesbelang. Tevens wees de rechtbank het verzoek om schadevergoeding af omdat er geen sprake was van een onrechtmatig besluit.

In hoger beroep herhaalde appellant zijn stellingen dat het beslag onterecht was gelegd en dat hij recht had op schadevergoeding. De Centrale Raad van Beroep stelde vast dat deze gronden reeds door de rechtbank waren beoordeeld en dat er geen nieuwe feiten of argumenten waren die tot een ander oordeel konden leiden.

De Raad bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en wees het verzoek om schadevergoeding af. Ook was er geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten. Hiermee kwam een einde aan het geschil over het beslag op het AOW-pensioen en de eventuele vergoeding van schade.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

16/6957 AOW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
4 oktober 2016, 16/3373 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
Datum uitspraak: 5 juli 2018
PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 mei 2018. Appellant en zijn echtgenote [naam echtgenote appellant] zijn verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S. Herder.

OVERWEGINGEN

1.1.
Op 21 april 2016 is onder de Svb executoriaal derdenbeslag gelegd op de inkomsten van appellant uit zijn AOW-pensioen tot een bedrag van € 1.050,79.
1.2.
Bij besluit van 29 april 2016 heeft de Svb appellant er van in kennis gesteld dat met ingang van mei 2016 een bedrag van € 187,05 per maand op zijn pensioen wordt ingehouden en rechtstreeks wordt overgemaakt aan de deurwaarder.
1.3.
Bij besluit van 11 mei 2016 heeft de Svb het bezwaar van appellant tegen het besluit van 29 april 2016 ongegrond verklaard.
1.4.
Bij brief van 19 mei 2016 is aan de Svb meegedeeld dat het beslag is opgeheven. De Svb heeft naar aanleiding hiervan bij besluit van 20 mei 2016 aan appellant kenbaar gemaakt dat de reeds ingehouden bedragen, te weten het AOW-pensioen en het vakantiegeld over de maand mei, in mei 2016 zullen worden teruggestort.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het onder 1.4 genoemde besluit van
20 mei 2016 aangemerkt als een besluit als bedoeld in artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Het beroep voor zover gericht tegen het besluit van 11 mei 2016 is door de rechtbank ongegrond verklaard. Daarbij is overwogen dat niet is gebleken dat de Svb buiten het kader van het beslag is getreden. Het verzoek om schadevergoeding is afgewezen omdat er geen sprake is van een onrechtmatig besluit. De rechtbank heeft het beroep tegen het besluit van 20 mei 2016 niet-ontvankelijk verklaard omdat appellant geen procesbelang heeft bij een beoordeling van dat besluit.
3. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat hij in aanmerking komt voor een schadevergoeding omdat er ten onrechte beslag is gelegd op zijn AOW-pensioen.
4. De Raad stelt vast dat appellant in hoger beroep de in beroep naar voren gebrachte gronden en argumenten in essentie heeft herhaald. Deze hebben de Raad niet tot een ander oordeel gebracht dan het in de aangevallen uitspraak neergelegde oordeel van de rechtbank. Dit betekent dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Bij deze uitkomst is voor toewijzing van de gevraagde schadevergoeding geen plaats, zodat dit verzoek wordt afgewezen.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.
Deze uitspraak is gedaan door M.A.H. van Dalen-van Bekkum, in tegenwoordigheid van
G.D. Alting Siberg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 juli 2018.
(getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum
(getekend) G.D. Alting Siberg
ew