ECLI:NL:CRVB:2018:2069
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens niet gemelde inschrijving in België en onduidelijk hoofdverblijf
Appellante ontving bijstand op grond van de Participatiewet en stond ingeschreven op een adres in Nederland. Uit onderzoek naar aanleiding van een melding van de Sociale verzekeringsbank bleek dat zij sinds juni 2014 ook in België stond ingeschreven en daar werkte. Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam trok daarom haar bijstand met terugwerkende kracht in en vorderde de kosten terug.
Appellante maakte bezwaar tegen deze besluiten, maar het college verklaarde deze ongegrond. De rechtbank Amsterdam bevestigde dit oordeel. In hoger beroep stelde appellante dat zij wel haar hoofdverblijf in Nederland had gehouden, onder meer omdat zij tijdens een huisbezoek in haar woning in Nederland werd aangetroffen.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellante onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat haar hoofdverblijf gedurende de gehele periode in Nederland was. De aanwezigheid tijdens het huisbezoek was onvoldoende bewijs en de aanwezigheid van persoonlijke bezittingen van haar partner leidde tot twijfel over haar woonsituatie. Ook slaagde het verweer dat terugvordering onterecht was vanwege verblijf in België rond de bevalling niet, omdat de duur van dat verblijf niet was onderbouwd.
De Raad bevestigde daarom de intrekking van de bijstand en de terugvordering van de kosten. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van de bijstand en de terugvordering wegens niet-gemelde inschrijving in België en onvoldoende aannemelijk gemaakt hoofdverblijf in Nederland.