ECLI:NL:CRVB:2018:2187
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing Ziektewet- en WIA-uitkering wegens geschiktheid voor alternatieve functie
Appellante, werkzaam als tandtechnicus, meldde zich ziek met fysieke en psychische klachten en ontving aanvankelijk een Ziektewetuitkering. Het UWV stelde vast dat zij niet arbeidsongeschikt was voor haar oude functie, maar wel geschikt voor andere functies, waaronder magazijn/expeditiemedewerker. Na herbeoordeling door verzekeringsartsen en een arbeidsdeskundige werd geconcludeerd dat zij deze functie kon vervullen, waardoor haar recht op ZW- en WIA-uitkering werd beëindigd.
Appellante voerde in hoger beroep aan dat haar psychische en fysieke beperkingen onderschat waren en dat het medisch onderzoek onvoldoende zorgvuldig was. De Raad oordeelde dat de verzekeringsartsen adequaat onderzoek hadden verricht, ook naar de psychische klachten, en dat de beperkingen juist waren vastgesteld. De rapportages van Vitae Versa en de behandelend psycholoog boden onvoldoende aanleiding om het oordeel te wijzigen.
Ten aanzien van de fysieke klachten, waaronder het Carpaal Tunnelsyndroom, concludeerde de Raad dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep deze beperkingen juist had ingeschat. De arbeidsdeskundige had op basis van deze beperkingen vastgesteld dat appellante in staat was de functie van magazijn/expeditiemedewerker uit te oefenen. De Raad bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de beslissing van het UWV wordt bevestigd dat appellante geen recht heeft op ZW- en WIA-uitkering.