ECLI:NL:CRVB:2018:2264

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
25 juli 2018
Publicatiedatum
25 juli 2018
Zaaknummer
15/7768 ZVW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbZorgverzekeringswet
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring beroep wegens niet tijdige betaling griffierecht

Appellant werd door het CAK schriftelijk aangemaand om binnen drie maanden een zorgverzekering af te sluiten. Na het niet voldoen aan deze verplichting legde het CAK een boete op en verklaarde het bezwaar ongegrond. De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep niet-ontvankelijk omdat appellant het griffierecht niet tijdig had betaald.

In hoger beroep voerde appellant aan dat de rechtbank vooringenomen was, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het griffierecht niet binnen de gestelde termijn was voldaan. De griffierechtnota werd op 8 april 2015 verzonden, met een betalingstermijn van vier weken. Appellant betaalde pas op 5 oktober 2015, ruim na de termijn en na een herinnering van 7 mei 2015.

De Raad stelde vast dat geen omstandigheden waren die het verzuim konden rechtvaardigen. Daarom bevestigde de Raad de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep. De inhoudelijke gronden van appellant werden niet behandeld omdat het beroep niet ontvankelijk was. Er werden geen proceskosten toegekend.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet tijdige betaling van het griffierecht.

Uitspraak

15.7768 ZVW

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 6 oktober 2015, 15/2158 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)

CAK

Datum uitspraak: 25 juli 2018
PROCESVERLOOP
Vanaf 1 januari 2017 oefent CAK in zaken als deze de bevoegdheden uit die voorheen door het Zorginstituut Nederland werden uitgeoefend. In deze uitspraak wordt onder CAK mede verstaan Zorginstituut Nederland.
Appellant heeft hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend.
CAK heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 mei 2018. Appellant is verschenen. CAK heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.M. Nijman.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.1.
CAK heeft appellant op 1 juli 2014 schriftelijk aangemaand om binnen drie maanden een zorgverzekering op grond van de Zorgverzekeringswet (Zvw) af te sluiten. Daarbij heeft CAK te kennen gegeven wat de gevolgen zullen zijn als appellant niet tijdig een zorgverzekering afsluit. Dit besluit is, na de door appellant daartegen gevoerde procedure, in stand gebleven.
1.2.
Bij besluit van 19 februari 2015 heeft CAK aan appellant een boete van € 351,99 opgelegd, omdat hij heeft verzuimd binnen drie maanden na de aanmaning van 1 juli 2014 een zorgverzekering in de zin van de Zvw af te sluiten. Verder heeft CAK appellant aangemaand om binnen drie maanden alsnog een zorgverzekering af te sluiten. Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
1.3.
Bij besluit van 24 maart 2015 (bestreden besluit) heeft CAK het bezwaar ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit
niet-ontvankelijk verklaard. Daartoe heeft de rechtbank, samengevat, overwogen dat appellant het verschuldigde griffierecht niet heeft betaald en dat niet is gebleken van enige omstandigheid op grond waarvan redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat hij in verzuim is geweest.
3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Daartoe heeft hij, samengevat, aangevoerd dat de behandelend rechter bij de rechtbank vooringenomen en partijdig was en dat de uitspraak geen stand kan houden.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
In artikel 8:41, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht is bepaald dat van de indiener van het beroepschrift door de griffier een griffierecht wordt geheven. In het vierde tot en met het zesde lid van dit artikel is bepaald dat de griffier de indiener van het beroepschrift meedeelt welk griffierecht is verschuldigd en hem erop wijst dat het griffierecht binnen vier weken na verzending van zijn mededeling dient te zijn bijgeschreven op de rekening van het gerecht dan wel ter griffie dient te zijn gestort. Indien het bedrag niet tijdig is bijgeschreven of gestort, is het beroep niet-ontvankelijk, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.
4.2.
De griffier van de rechtbank heeft de griffierechtnota verstuurd op 8 april 2015. Appellant heeft het griffierecht niet binnen de in de nota vermelde termijn van vier weken betaald. De griffier heeft appellant vervolgens bij aangetekende brief van 7 mei 2015 nogmaals op de verschuldigdheid van het griffierecht gewezen. Daarbij is meegedeeld dat als het griffierecht niet binnen vier weken na dagtekening van de brief is betaald, appellant het risico loopt dat het beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard. Ook is vermeld dat hierna geen nieuwe gelegenheid zal worden geboden om het griffierecht te betalen.
4.3.
Uit de door appellant in hoger beroep overgelegde print van zijn bankrekening blijkt dat op 5 oktober 2015 het verschuldigde griffierecht van € 45,- van zijn rekening is afgeschreven. Daargelaten de vraag of het griffierecht ten tijde van de zitting op 6 oktober 2015 reeds was bijgeschreven op de rekening van de rechtbank, heeft appellant het griffierecht ruim buiten de in de brief van 7 mei 2015 gestelde termijn van vier weken, en dus niet tijdig, betaald.
4.4.
Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat niet is gebleken van enige omstandigheid op grond waarvan appellant redelijkerwijs niet kan worden geacht in verzuim te zijn geweest. Het had appellant op grond van de brief van 7 mei 2015 verder duidelijk moeten zijn dat na het verstrijken van de daarin genoemde termijn geen gelegenheid meer bestond om het griffierecht te voldoen. De rechtbank heeft het beroep dan ook terecht niet-ontvankelijk verklaard.
4.5.
Uit wat is overwogen onder 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd. De Raad komt dus niet toe aan bespreking van de door appellant aangevoerde inhoudelijke gronden.
5. Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is niet gebleken.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.P.A. Boersma, in tegenwoordigheid van J.R. Trox als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 juli 2018.
(getekend) J.P.A. Boersma
(getekend) J.R. Trox

CVG