Uitspraak
17.6793 AW
OVERWEGINGEN
BESLISSING
appellant van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 500,-;
(proces)kosten van appellant tot een bedrag van € 1.503,-;
van € 250,- aan hem vergoedt.
Centrale Raad van Beroep
Appellant, werkzaam bij de politie, maakte bezwaar tegen een besluit van de korpschef betreffende zijn functietoekenning. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en appellant stelde geen hoger beroep in tegen die uitspraak. Later verzocht appellant om vergoeding van schade wegens overschrijding van de redelijke termijn van de procedure. De rechtbank stelde dit verzoek buiten behandeling omdat nog rechtsmiddelen openstonden, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelde dat dit verzoek wel zelfstandig kan worden ingediend, ook nadat de termijn voor rechtsmiddelen is verstreken.
De Raad vernietigde de aangevallen uitspraak en beoordeelde dat de redelijke termijn met ruim één maand was overschreden, waarbij de overschrijding geheel aan de rechterlijke fase was toe te rekenen. De Raad kende daarom een schadevergoeding toe van €500 aan appellant.
Daarnaast werd de Staat der Nederlanden veroordeeld in de proceskosten van appellant, begroot op €1.503, en werd het betaalde griffierecht van €250 aan appellant vergoed. De uitspraak benadrukt de toepassing van artikel 8:88 en Pro 8:90 van de Algemene wet bestuursrecht in combinatie met artikel 6 EVRM Pro betreffende redelijke termijnen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep wijst een schadevergoeding van €500 toe wegens overschrijding van de redelijke termijn en veroordeelt de Staat in proceskosten en griffierecht.