ECLI:NL:CRVB:2018:2344
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WGA-loonaanvullingsuitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante, een voormalige schoonmaakster, viel in december 2009 uit wegens lichamelijke klachten en ontving een loongerelateerde WGA-uitkering. In april 2015 stelde het UWV vast dat zij in aanmerking kwam voor een WGA-loonaanvullingsuitkering met een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Zowel appellante als haar voormalig werkgever maakten bezwaar tegen dit besluit.
Na aanvullend medisch en arbeidskundig onderzoek stelde het UWV vast dat de arbeidsongeschiktheid van appellante per 26 juni 2015 minder dan 35% bedroeg, waarop de WGA-uitkering werd ingetrokken met ingang van 21 januari 2016. De rechtbank Amsterdam oordeelde dat het besluit berustte op een zorgvuldig en gemotiveerd onderzoek.
In hoger beroep voerde appellante aan dat zij ernstige rug- en schouderklachten had, maar de Raad volgde de rechtbank in het oordeel dat de medische gegevens geen aanwijzingen bevatten voor beperkingen die niet reeds in de Functionele Mogelijkhedenlijst waren verwerkt. De schouderklachten waren niet van dien aard geweest dat zij tot extra beperkingen leidden en waren ook niet gemeld bij artsen rond de datum in geding.
De Raad concludeerde dat het besluit van het UWV voldoende is gemotiveerd en dat appellante in staat wordt geacht de geselecteerde functies te vervullen. Het hoger beroep wordt daarom verworpen en de intrekking van de uitkering bevestigd.
Uitkomst: De intrekking van de WGA-loonaanvullingsuitkering wordt bevestigd wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.