ECLI:NL:CRVB:2018:2356
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van bezwaar en beroep tegen UWV-besluiten inzake WIA-uitkering en tegemoetkoming arbeidsongeschikten
Appellante, een ontvanger van een WIA-uitkering, maakte bezwaar tegen een betaalspecificatie van november 2016, die door het UWV werd beschouwd als geen besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep onderschreef dit oordeel, stellende dat de specificatie een herhaling was van eerdere besluiten zonder nieuwe rechtsgevolgen.
Daarnaast betwistte appellante de toekenning van een tegemoetkoming arbeidsongeschikten, maar ook dit bezwaar werd door het UWV ongegrond verklaard en door de rechtbank en Raad bevestigd, mede vanwege de wettelijke grondslag in artikel 63a van de Wet WIA en het ontbreken van een verplichting tot aparte vermelding op de jaaropgave.
Ten slotte werd het verzoek van appellante om de WIA-uitkering wekelijks uit te betalen afgewezen door het UWV, waarbij de rechtbank zich onbevoegd verklaarde om hierover te oordelen. De Raad onderschreef dit oordeel eveneens.
De Raad concludeert dat de aangevallen uitspraken terecht zijn en wijst alle hoger beroepen af zonder toekenning van proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de rechtbankuitspraak en wijst het hoger beroep van appellante af.