ECLI:NL:CRVB:2018:2416
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens niet gemelde hennepkwekerij
Appellante ontving sinds 2003 bijstand en huurde een woning. In 2013 werd in een door haar gehuurde woning een hennepkwekerij met 924 planten aangetroffen. Onderzoek toonde aan dat zij sinds 2010 een tweede woning huurde, waarvan de huur en lasten van haar bankrekening werden betaald, en dat er bijna maandelijks contante stortingen op haar rekening plaatsvonden. Het college trok de bijstand in en vorderde de kosten terug wegens schending van de inlichtingenplicht.
Appellante maakte bezwaar, maar dit werd niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank en vervolgens de Raad bevestigden dat appellante onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat haar partner de kwekerij exploiteerde of dat zij de stortingen kon verklaren. Hierdoor kon het recht op bijstand niet worden vastgesteld.
De Raad concludeerde dat het hoger beroep niet slaagt en bevestigde het bestreden besluit. Er was geen aanleiding voor een veroordeling in proceskosten. De uitspraak werd gedaan door M. Hillen in aanwezigheid van de griffier.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot intrekking en terugvordering van bijstand wordt bevestigd.