ECLI:NL:CRVB:2018:2613
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag bijstand op grond van onvoldoende bewijs hoofdverblijf
Appellant vroeg bijstand aan op grond van de Participatiewet en gaf een adres op waar hij zou verblijven. Tijdens het aanvraagproces gaf hij aan dat meerdere personen op dat adres woonden en leverde hij een huurcontract in dat niet door de verhuurder was ondertekend. Bij controle bleek dat de gegevens niet overeenkwamen met de Basisregistratie Personen en dat er geen betalingen in de woonplaats waren gedaan.
De gemeente voerde een onaangekondigd huisbezoek uit waarbij bleek dat appellant niet thuis was en dat een andere persoon, die tijdelijk onderhuurde, de woning bewoonde. Er werden geen persoonlijke spullen van appellant aangetroffen en de kamer die appellant als zijn kamer had opgegeven, was in gebruik door een ander. Het college wees de bijstandsaanvraag af omdat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat hij zijn hoofdverblijf op het opgegeven adres had.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel. Appellant voerde onder meer aan dat het huisbezoek onrechtmatig was omdat de persoon die toestemming gaf geen bewoner was en geen tolk was ingezet. Dit werd verworpen omdat de casemanagers redelijkerwijs mochten aannemen dat de persoon een bewoner was en de communicatie in het Engels verliep.
Verder stelde appellant dat hij wel gebruik wilde maken van een tweede huisbezoek, maar dit werd niet toegestaan door de casemanager. De Raad oordeelde dat appellant geen gebruik had gemaakt van de geboden mogelijkheid tot een tweede huisbezoek. Gezien de omstandigheden en het ontbreken van bewijs dat appellant op het adres verbleef, is het hoger beroep ongegrond verklaard.
Uitkomst: De aanvraag om bijstand wordt afgewezen omdat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij zijn hoofdverblijf had op het opgegeven adres.