ECLI:NL:CRVB:2018:2645
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van afwijzing WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid per 12 oktober 2015
Appellante, voormalig ondersteunend medewerker in een verzorgingshuis, ontving sinds 2008 een WGA-uitkering vanwege een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. In 2015 besloot het UWV dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en daarmee geen recht meer had op een WIA-uitkering. Appellante maakte bezwaar en bracht medische verklaringen in, waaronder van haar huisarts en een klinisch psycholoog, waarin zij haar beperkingen onderbouwde.
De verzekeringsartsen van het UWV concludeerden echter dat er geen aanleiding was voor een urenbeperking of aanpassing van de Functionele Mogelijkhedenlijst. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de voorgestelde functies medisch passend waren.
In hoger beroep herhaalde appellante haar standpunt dat haar klachten waren onderschat. De Centrale Raad van Beroep onderschreef de overwegingen van de rechtbank en concludeerde dat geen nieuwe objectieve medische gegevens waren ingebracht die aanleiding geven tot twijfel aan de juistheid van het medisch oordeel van het UWV. Het hoger beroep werd verworpen en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd dat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt is per 12 oktober 2015.