Uitspraak
17.6833 AOR
OVERWEGINGEN
BESLISSING
.
Centrale Raad van Beroep
Appellante, geboren in 1947 in voormalig Nederlands-Indië, verzocht in juni 2016 om toekenning op grond van de Algemene Oorlogsongevallenregeling (AOR). Verweerder wees dit verzoek af omdat niet aannemelijk was gemaakt dat appellante in omstandigheden verkeerde die onder de AOR vallen.
In het beroep stelde appellante dat zij tijdens de relevante periode tot 1 februari 1954 ongeregeldheden had meegemaakt op het eiland Saparua, waar Ullath ligt. Verweerder stelde dat de ongeregeldheden pas vanaf eind 1954 plaatsvonden en dat de situatie in de relevante periode niet aan de criteria van de AOR voldeed.
De Raad onderzocht de zaak en concludeerde dat uit relatiedossiers en verklaringen van familieleden onvoldoende blijkt dat appellante in omstandigheden verkeerde als bedoeld in de AOR. Historische gegevens bevestigen niet dat er in de relevante periode ongeregeldheden waren in Ullath. De verklaringen van appellante en haar familie waren summier en niet concreet genoeg om het beroep te steunen.
Daarom handhaaft de Raad het bestreden besluit en verklaart het beroep ongegrond. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende aannemelijkheid van omstandigheden zoals bedoeld in de AOR.