ECLI:NL:CRVB:2018:2874

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
6 september 2018
Publicatiedatum
20 september 2018
Zaaknummer
17/1024 AOW-PV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 24 AOWArt. 14 EVRM
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging terugvordering te veel betaald AOW-pensioen wegens samenwoning

De Sociale Verzekeringsbank (Svb) herzag het AOW-pensioen van appellant per 1 januari 2003 naar het samenwonenden-niveau vanwege het voeren van een gezamenlijke huishouding. Dit herzieningsbesluit van 18 november 2013 werd onherroepelijk nadat bezwaar en beroep niet ontvankelijk werden verklaard.

Vervolgens vorderde de Svb een bedrag van €42.090,48 terug dat te veel was betaald over de periode januari 2003 tot oktober 2013. Appellant maakte bezwaar tegen deze terugvordering, maar dit werd ongegrond verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond.

In hoger beroep voerde appellant aan dat de herziening ongedaan moest worden gemaakt en dat de terugvordering onevenredig was vanwege zijn hoge leeftijd. Tevens werd een beroep gedaan op het EHRM-arrest Moskal. De Raad oordeelde dat het herzieningsbesluit rechtens onaantastbaar is en dat appellant geen inzicht gaf in zijn financiële situatie om dringende redenen voor afzien van terugvordering aan te tonen.

Het beroep op artikel 14 EVRM Pro werd buiten beschouwing gelaten wegens strijd met de goede procesorde en het beroep op Moskal faalde omdat de omstandigheden wezenlijk verschilden. Het hoger beroep werd daarom afgewezen zonder proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de terugvordering van te veel betaald AOW-pensioen blijft in stand.

Uitspraak

17.1024 AOW-PV

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 23 december 2016, 16/3689 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (Italië) (appellant)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
Datum uitspraak: 6 september 2018
Zitting heeft: M.A.H. van Dalen-van Bekkum
Griffier: W.M. Swinkels
Ter zitting zijn verschenen: Namens appellant is verschenen mr. R.P. Kuijper, advocaat.
De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Sturmans.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen:
1.1.
Bij besluit van 18 november 2013 heeft de Svb het ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) van appellant met ingang van 1 januari 2003 herzien naar de norm van een samenwonende, in verband met het voeren van een gezamenlijke huishouding. Bij beslissing op bezwaar van 24 juli 2014 is het bezwaar tegen het besluit van 18 november 2013 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft bij uitspraak van 6 juli 2015 het beroep tegen dat besluit niet-ontvankelijk verklaard, omdat het griffierecht niet tijdig was betaald. Hiermee is het herzieningsbesluit van 18 november 2013 in rechte komen vast te staan.
1.2.
Bij besluit van 27 november 2015 is het over de periode van januari 2003 tot en met oktober 2013 te veel betaalde ouderdomspensioen ten bedrage van € 42.090,48 van appellant teruggevorderd. Het bedrag wordt vanaf mei 2016 in maandelijkse termijnen ingehouden op het AOW-pensioen van appellant.
1.3.
Bij het bestreden besluit van 14 april 2016 is het bezwaar tegen het besluit van
27 november 2015 ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Namens appellant is in hoger beroep aangevoerd dat de herziening van het AOW-pensioen ongedaan moet worden gemaakt, zodat van een terugvordering geen sprake meer kan zijn. De terugvordering is, mede gezien de hoge leeftijd van appellant, onevenredig. Verder is een beroep gedaan op het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van
15 september 2009, Moskal, nr. 10373/05.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
In aanmerking genomen dat het herzieningsbesluit van 18 november 2013 rechtens onaantastbaar is geworden, is het geschil beperkt tot de vraag of de rechtbank terecht het standpunt van de Svb over de terug- en invordering van het te veel betaalde AOW-pensioen heeft onderschreven.
4.2.
Ten aanzien van de terugvordering van € 42.090,48 moet voorop worden gesteld dat de Svb op grond van artikel 24 van Pro de AOW gehouden is tot terugvordering van onverschuldigd betaalde toeslag. Slechts in geval van dringende redenen is de Svb ingevolge het vierde lid van artikel 24 van Pro de AOW bevoegd geheel of gedeeltelijk af te zien van terugvordering. Dringende redenen als hier bedoeld kunnen ingevolge vaste rechtspraak slechts zijn gelegen in de onaanvaardbaarheid van de – financiële en/of sociale – gevolgen die een terugvordering voor een verzekerde heeft. Appellant heeft geen inzicht gegeven in zijn financiële situatie, zodat niet kan worden geconcludeerd dat hij als gevolg van de terugvordering in een noodsituatie als hiervoor bedoeld terechtkomt. Dit betekent dat geen sprake is van dringende redenen op grond waarvan gedeeltelijk van terugvordering kan worden afgezien. De grond dat toepassing van een volledig terugwerkende kracht onevenredig is gezien de hoge leeftijd van appellant, had in de herzieningsprocedure moeten worden aangevoerd.
4.3.
Ter zitting is betoogd dat sprake is van schending van artikel 14 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, nu appellant gezien zijn woonplaats in het buitenland zijn beslagvrije voet door de kantonrechter moet laten vaststellen, terwijl aan een in Nederland wonende AOW-gerechtigde in een soortgelijke situatie de beslagvrije voet wordt verleend. De Raad laat deze grond buiten beschouwing, nu deze grond in strijd met de goede procesorde voor het eerst ter zitting is opgeworpen.
4.4.
Het beroep op het arrest Moskal kan niet slagen, omdat de omstandigheden in die casus wezenlijk anders waren. Zo is de Svb in het geval van appellant niet op grond van hetzelfde feitencomplex tot de conclusie gekomen dat een oorspronkelijk besluit bij nader inzien onjuist is en dat om die reden ten nadele van appellant van het besluit dient te worden teruggekomen. In het geval van appellant is immers na een onderzoek naar de leefsituatie in Italië geconcludeerd dat sprake is van een wijziging in de omstandigheden, namelijk het voeren van een gemeenschappelijke huishouding.
4.5.
Hieruit volgt dat het hoger beroep niet slaagt.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier De voorzitter
(getekend) W.M. Swinkels (getekend) mr. M.A.H. van Dalen-van Bekkum
JvC