ECLI:NL:CRVB:2018:2875
Centrale Raad van Beroep
- Proces-verbaal
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewetuitkering wegens voldoende vastgestelde medische beperkingen
Appellant viel op 19 november 2014 uit voor zijn werk als afwasser en schoonmaker door een gebroken rechterbovenarm na een fietsongeluk, met restklachten en tintelingen in voeten en handen. Na medische onderzoeken werd een niet-ernstige dunnevezelneuropathie vermoed. De Ziektewetuitkering werd beëindigd per 23 april 2016 na een eerstejaars beoordeling, waarbij een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) werd opgesteld met beperkingen op fysieke aanpassingen, handelingen en houdingen.
De arbeidsdeskundige oordeelde dat appellant met de beperkingen in de FML geschikt is voor functies als inpakker, magazijnmedewerker en textielproductenmaker, waarmee hij 100% van zijn maatmaninkomen kan verdienen. Appellant stelde in hoger beroep dat hij volledig arbeidsongeschikt is en geen belasting van schouder, nek en rug kan verdragen, maar ondersteunde dit niet met objectiveerbare medische gegevens.
De Raad oordeelde dat de medische beperkingen juist zijn vastgesteld en dat de arbeidsdeskundige de geschiktheid voor passend werk deugdelijk heeft gemotiveerd. De Ziektewetuitkering is daarom terecht beëindigd. De aangevallen uitspraak van de rechtbank Amsterdam wordt bevestigd en er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Ziektewetuitkering is terecht beëindigd omdat appellant geschikt is voor passend werk met de vastgestelde beperkingen.