ECLI:NL:CRVB:2018:2887
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing AOW-uitkering wegens ontbreken woon- of werkperiode echtgenoot in Nederland tijdens huwelijk
Appellante diende op 21 december 2015 een aanvraag in voor een AOW-uitkering. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) wees deze aanvraag op 9 maart 2016 af omdat appellante niet verzekerd was voor de AOW. Hoewel haar overleden echtgenoot in het verleden verzekerd was, was appellante nog niet met hem gehuwd in die periode.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat zij geen recht had op AOW omdat zij zelf niet in Nederland had gewoond of gewerkt en niet had aangetoond dat haar echtgenoot tijdens hun huwelijk in Nederland woonde of werkte.
In hoger beroep stelde appellante dat zij recht had op AOW omdat zij sinds 1 november 1977 gehuwd was met haar echtgenoot, die in Nederland ziek was geworden en een rugoperatie had ondergaan. De Raad oordeelde echter dat noch gesteld noch gebleken was dat de echtgenoot tijdens hun huwelijk in Nederland woonde of werkte. Deze omstandigheden leiden niet tot het aannemen van verzekerings- of woonperioden die recht geven op AOW.
De Raad bevestigde daarom de afwijzing van de AOW-aanvraag en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De aanvraag van de AOW-uitkering is terecht afgewezen omdat de echtgenoot tijdens het huwelijk niet in Nederland woonde of werkte.