ECLI:NL:CRVB:2018:2925
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WIA-uitkering na zorgvuldige beoordeling beperkingen en functies
Appellante, werkzaam als schoonmaakster, meldde zich ziek met lichamelijke en psychische klachten. Het UWV kende haar aanvankelijk een WIA-uitkering toe met een arbeidsongeschiktheid van 80-100%. Na een herbeoordeling concludeerde het UWV dat zij vanaf 27 augustus 2014 geen recht meer had op een WIA-uitkering vanwege het ontbreken van verlies aan verdiencapaciteit.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de functionele mogelijkhedenlijst (FML) juist was vastgesteld. Appellante voerde in hoger beroep aan dat haar beperkingen waren onderschat en dat de geselecteerde functies niet passend waren.
De Centrale Raad van Beroep overwoog dat het UWV zorgvuldig te werk was gegaan, alle medische informatie was meegewogen en de FML adequaat was vastgesteld. Ook was de geschiktheid van de geselecteerde functies voldoende gemotiveerd. Er was geen aanleiding voor inschakeling van een onafhankelijke deskundige. Het hoger beroep werd verworpen en de intrekking van de WIA-uitkering bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van de WIA-uitkering en verklaart het hoger beroep ongegrond.