ECLI:NL:CRVB:2018:2994
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing recht op ziekengeld na zorgvuldige WIA-beoordeling
Appellant maakte bezwaar tegen het besluit van het UWV dat hij vanaf 26 mei 2015 geen recht meer had op ziekengeld op grond van de Ziektewet. Het bezwaar en het daarop volgende beroep bij de rechtbank werden ongegrond verklaard. Appellant voerde onder meer aan dat zijn klachten, waaronder schouder-, nek- en oorsuizenproblemen, onvoldoende waren meegewogen en dat er geen onafhankelijk deskundige was geraadpleegd.
In hoger beroep heeft de Centrale Raad van Beroep het medisch dossier en de rapportages van verzekeringsartsen van het UWV bestudeerd. Deze artsen hadden een zorgvuldig onderzoek verricht, waarbij zij ook informatie van huisartsen, specialisten en psychologen hadden betrokken. De Raad concludeert dat appellant geschikt is voor ten minste één van de in het kader van de WIA-beoordeling geselecteerde functies.
De Raad oordeelt dat de medische grondslag van het bestreden besluit juist is en dat de klachten van appellant, waaronder de psychische problematiek en oorsuizen, voldoende zijn meegenomen. De stelling dat het totaalbeeld onvoldoende is beoordeeld, wordt verworpen. Er bestaat geen aanleiding om een onafhankelijk deskundige te raadplegen.
Daarom wordt het hoger beroep ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit dat appellant geen recht meer heeft op ziekengeld wordt bevestigd.