Appellant stelde hoger beroep in tegen een beslissing van het UWV. Tijdens de procedure nam het UWV een gewijzigde beslissing op bezwaar die volledig tegemoetkwam aan de bezwaren van appellant. Hierdoor trok appellant het hoger beroep in. De Centrale Raad van Beroep beoordeelde de gevolgen van deze intrekking en de verzoeken om proceskostenvergoeding en schadevergoeding.
De Raad veroordeelde het UWV tot vergoeding van de proceskosten, waaronder een bedrag voor verleende rechtsbijstand en griffierecht, alsmede aanvullende vergoedingen voor rechtsbijstand en reiskosten in hoger beroep. Daarnaast werd het verzoek om vergoeding van gederfde wettelijke rente over de na te betalen uitkering toegewezen. Het verzoek om vergoeding van belastingschade werd afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing.
Verder oordeelde de Raad dat de redelijke termijn voor de behandeling van de gehele procedure was overschreden met negentien maanden, voornamelijk in de rechterlijke fase. Daarom werd de Staat veroordeeld tot een immateriële schadevergoeding van € 2.000,- aan appellant wegens overschrijding van de redelijke termijn.
De uitspraak werd gedaan door B.J. van de Griend, waarbij het hoger beroep werd ingetrokken en de genoemde vergoedingen werden toegewezen en afgewezen conform de overwegingen.