Uitspraak
17.7159 AOR
OVERWEGINGEN
BESLISSING
.
Centrale Raad van Beroep
Appellant, erkend als oorlogsslachtoffer met psychisch oorlogsletsel, verzocht om uitbreiding van de vergoeding voor huishoudelijke hulp van één naar twee dagdelen per week. De Sociale verzekeringsbank wees dit verzoek af omdat er geen medische noodzaak voor een uitbreiding bestond.
De Raad stelde vast dat de lichamelijke klachten van appellant niet samenhangen met de oorlogservaringen en dat de psychische klachten wel aanwezig zijn, maar niet leiden tot chaotisch gedrag of zelfverwaarlozing. Dit laatste is een vereiste voor toekenning van een tweede dagdeel huishoudelijke hulp volgens het beleid.
Het medisch advies bevestigde dat appellant ondanks vermoeidheid in staat is het huishouden en de verzorging van zijn echtgenote te organiseren zonder chaotisch gedrag. Een verwijzing naar een regeling voor andere oorlogsuitkeringen was niet van toepassing op de AOR.
De Raad concludeerde dat het bestreden besluit voldoende is gemotiveerd en dat het beroep ongegrond is. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de vergoeding voor huishoudelijke hulp wordt niet uitgebreid.