ECLI:NL:CRVB:2018:307
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van rechtmatigheid UWV-besluiten inzake WIA- en ZW-uitkeringen appellant
Appellant, laatst werkzaam als chauffeur, meldde zich ziek in mei 2011 en vroeg in maart 2013 een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde bij besluit van juni 2014 vast dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was en verklaarde het bezwaar ongegrond in oktober 2014. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond, stellende dat de medische en arbeidskundige rapporten zorgvuldig en deugdelijk waren.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat zijn beperkingen werden onderschat en dat de rechtbank ten onrechte geen onafhankelijk deskundige benoemde. Hij overlegde medische verklaringen van zijn psycholoog en huisarts uit november 2015. De Raad concludeerde dat deze gegevens reeds bekend waren en meegewogen in de beoordeling, en dat het beroep ongegrond is.
Ten aanzien van de Ziektewet-uitkering stelde het UWV in oktober 2015 vast dat appellant geen recht meer had op uitkering omdat hij geschikt was voor de geselecteerde functies. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit eveneens ongegrond. Appellant stelde in hoger beroep dat zijn psychische gezondheid verslechterd was en dat nader onderzoek nodig was. De Raad oordeelde dat er geen nieuwe objectieve medische gegevens waren die een wijziging van de situatie aantonen en bevestigde het besluit.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt daarmee beide aangevallen uitspraken en wijst het hoger beroep af. Er is geen aanleiding voor benoeming van een onafhankelijk deskundige of voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de aangevallen uitspraken worden bevestigd.