ECLI:NL:CRVB:2018:3095
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging WIA-uitkering wegens juiste vaststelling psychische beperkingen
Appellante werkte als zorghulp en meldde zich ziek met lichamelijke en later psychische klachten. Zij ontving vanaf 2008 een WIA-uitkering gebaseerd op een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) die haar beperkingen vastlegde. In 2014 vond een herbeoordeling plaats, waarbij een verzekeringsarts nieuwe beperkingen vaststelde en het UWV concludeerde dat appellant meer dan 65% van haar maatmaninkomen kon verdienen, waardoor haar WIA-uitkering werd beëindigd.
Appellante voerde in hoger beroep aan dat haar psychische beperkingen waren onderschat en dat de geselecteerde functies niet passend waren. Zij verzocht om een onafhankelijk deskundigenonderzoek. De Raad oordeelde dat het UWV de beperkingen zorgvuldig had vastgesteld op basis van medische rapporten, waaronder die van verzekeringsartsen en behandelend psychiaters. De rapporten van door appellant ingeschakelde artsen boden onvoldoende aanleiding voor een ander oordeel.
De Raad concludeerde dat de beperkingen in de FML van 2014 juist waren opgenomen en dat de functies medisch geschikt waren voor appellant. De rechtbank had het bezwaar ongegrond verklaard en de Raad bevestigt deze uitspraak. Er is geen reden voor een onafhankelijk deskundigenonderzoek en het hoger beroep wordt afgewezen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de WIA-uitkering wegens juiste vaststelling van de psychische beperkingen.