ECLI:NL:CRVB:2018:3096
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant heeft zich ziek gemeld na een bedrijfsongeval waarbij zijn rechterknie werd beschadigd. Na beëindiging van zijn dienstverband vroeg hij een WIA-uitkering aan, die door het UWV werd geweigerd op grond dat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt was. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat het UWV zorgvuldig onderzoek had verricht en dat de beperkingen van de rechterknie adequaat waren verwerkt in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML).
In hoger beroep stelde appellant dat ook linkerknieklachten en de effecten van zware medicatie onvoldoende waren meegenomen en dat de verzekeringsartsen onzorgvuldig hadden gehandeld door geen informatie van zijn behandelend artsen op te vragen. De Raad stelde vast dat de relevante informatie van de behandelend artsen uiteindelijk wel in het geding was en dat het onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd. De klachten aan de linkerknie waren pas na juli 2014 relevant geworden, na de datum waarop de FML was opgesteld.
De Raad concludeerde dat het UWV voldoende rekening had gehouden met de beperkingen van appellant, inclusief de gevolgen van medicijngebruik, en dat de belasting van de voorgehouden functies de functionele mogelijkheden niet overschreed. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.