ECLI:NL:CRVB:2018:311
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing ziekengeld op grond van Ziektewet wegens geschiktheid voor maatgevende arbeid
Appellant, werkzaam in een financieel administratieve functie, meldde zich ziek na beëindiging van zijn dienstverband en ontving een WW-uitkering. Na afloop hiervan stelde het UWV vast dat appellant per 16 april 2015 geschikt was voor zijn laatst verrichte arbeid en beëindigde het ziekengeld.
Appellant maakte bezwaar en beroep, maar zowel de arbeidsdeskundige als de verzekeringsarts van het UWV concludeerden dat appellant ondanks beperkingen in staat was zijn maatgevende arbeid te verrichten. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.
In hoger beroep handhaafde appellant zijn standpunt en overhandigde aanvullende medische informatie. De Centrale Raad van Beroep oordeelde echter dat deze informatie onvoldoende was om het eerdere oordeel te wijzigen. De Raad bevestigde dat appellant niet ongeschikt was voor zijn arbeid en dat het UWV het besluit terecht had genomen.
De Raad wees het hoger beroep af en bevestigde de uitspraak van de rechtbank, zonder toewijzing van proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd dat appellant per 16 april 2015 geen recht had op ziekengeld.