ECLI:NL:CRVB:2018:3227

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
19 oktober 2018
Publicatiedatum
19 oktober 2018
Zaaknummer
18/19 PW-V
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Verzet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55, zevende lid, AwbArt. 8:108, eerste lid, Awb
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet gegrond tegen niet-ontvankelijkverklaring hoger beroep in sociale zekerheidszaak

In deze bestuursrechtelijke zaak heeft appellant hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Noord-Holland. De Centrale Raad van Beroep verklaarde het hoger beroep niet-ontvankelijk omdat het griffierecht niet binnen de gestelde termijn was betaald en het hogerberoepschrift te laat was ingediend.

Appellant heeft hiertegen verzet aangetekend, waarbij is gebleken dat hij met een brief van 5 maart 2018 het hoger beroep wilde intrekken. De Raad verklaart het verzet gegrond en vervalt daarmee de eerdere niet-ontvankelijkverklaring. Het hoger beroep wordt beschouwd als ingetrokken.

Daarnaast heeft appellant aangegeven een verzoek tot herziening te willen indienen tegen een eerdere uitspraak van de rechtbank Noord-Holland uit 2014. De Raad zal de relevante stukken doorsturen voor verdere behandeling. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten van het verzet.

De uitspraak is gedaan door de enkelvoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 19 oktober 2018.

Uitkomst: Het verzet wordt gegrond verklaard en het hoger beroep wordt als ingetrokken beschouwd.

Uitspraak

Datum uitspraak: 19 oktober 2018
18/19 PW-V
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:55, zevende lid, en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 14 november 2017, 17/2861 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad

PROCESVERLOOP

Bij uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht van 5 juni 2018 heeft de Raad het door appellant ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard.
Appellant heeft verzet gedaan.
Het verzet is behandeld ter zitting van 7 september 2018, waar beide partijen niet zijn verschenen.

OVERWEGINGEN

De uitspraak van de Raad van 5 juni 2018 berust op de overwegingen dat het verschuldigde griffierecht niet binnen de gestelde termijn is betaald en het hogerberoepschrift niet binnen de termijn is ingediend.
In verzet is gebleken dat appellant met zijn brief van 5 maart 2018 heeft beoogd het hoger beroep in te trekken.
Dit betekent dat het verzet gegrond wordt verklaard en de uitspraak van de Raad van 5 juni 2018 vervalt. De Raad beschouwt het hoger beroep als ingetrokken.
In het verzetschrift heeft appellant te kennen gegeven dat hij een verzoek om herziening wil indienen van de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 21 januari 2014, 13/3688. De Raad zal de onderliggende stukken ter verdere behandeling doorsturen naar de rechtbank Noord-Holland.
Voor een veroordeling in de proceskosten van het verzet is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzet gegrond.
Deze uitspraak is gedaan door H.C.P. Venema, in tegenwoordigheid van C.A.E. Bon als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 oktober 2018.
(getekend) H.C.P. Venema
(getekend) C.A.E. Bon

MD