ECLI:NL:CRVB:2018:3228

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
19 oktober 2018
Publicatiedatum
19 oktober 2018
Zaaknummer
17/3276 PW-V
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verzet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55 AwbArt. 8:108 Awb
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen niet-ontvankelijkheid hoger beroep wegens niet-betaling griffierecht ongegrond verklaard

Appellant had hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland, maar werd niet-ontvankelijk verklaard omdat het griffierecht niet binnen de gestelde termijn was betaald. Appellant voerde betalingsonmacht aan, maar voldeed niet aan de daarvoor geldende criteria. Vervolgens deed appellant verzet tegen de niet-ontvankelijkverklaring en gaf aan alsnog het griffierecht te willen betalen en een peiljaarverlegging te hebben verzocht.

Tijdens de zitting ter behandeling van het verzet waren beide partijen niet aanwezig. De Raad heeft overwogen dat appellant geen nieuwe feiten of omstandigheden heeft aangevoerd die het verzuim bij de betaling van het griffierecht zouden kunnen opheffen. Zowel de inkomensverklaring van het peiljaar 2015 als recente uitkeringsspecificaties tonen aan dat het beroep op betalingsonmacht terecht is afgewezen.

De Raad stelt vast dat het wettelijke stelsel geen ruimte biedt om appellant een nieuwe termijn voor betaling van het griffierecht te geven. Daarom wordt het verzet ongegrond verklaard. Er is geen aanleiding om appellant te veroordelen in de proceskosten van het verzet.

Uitkomst: Het verzet van appellant tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep wegens niet-betaling van het griffierecht wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

Datum uitspraak: 19 oktober 2018
17/3276 PW-V
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:55, zevende lid, en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 23 februari 2017, 16/2895 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Utrecht

PROCESVERLOOP

Bij uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht van 16 januari 2018 heeft de Raad het door appellant ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard.
Appellant heeft verzet gedaan.
Het verzet is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 7 september 2018, waar beide partijen niet zijn verschenen.

OVERWEGINGEN

De uitspraak van de Raad van 16 januari 2018 berust op de overwegingen dat het verschuldigde griffierecht niet binnen de gestelde termijn is betaald, en dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is geweest.
Voorafgaand aan de uitspraak van 16 januari 2018 is het door appellant gedane beroep op betalingsonmacht voor de betaling van het griffierecht afgewezen, omdat uit de door appellant overgelegde stukken blijkt dat hij niet aan de daarvoor in de rechtspraak ontwikkelde criteria voldoet.
In verzet heeft appellant te kennen gegeven dat hij niet de financiële middelen had om het griffierecht te voldoen en dat hij verzocht heeft om een peiljaarverlegging. Appellant wil alsnog het griffierecht betalen.
In verzet heeft appellant geen feiten of omstandigheden aangevoerd op grond waarvan zou moeten worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is geweest. Bij de beoordeling van het beroep op betalingsonmacht is de Raad niet alleen uitgegaan van de door de Raad voor Rechtsbijstand overgelegde inkomensverklaring met het peiljaar 2015, maar ook van de door appellant overgelegde (recente) uitkeringsspecificaties. De Raad stelt thans - opnieuw - vast dat het beroep op betalingsonmacht terecht is afgewezen. Appellant was daarom gehouden het griffierecht te betalen. Dat heeft hij niet gedaan. Het wettelijke stelsel biedt geen ruimte om appellant een nieuwe termijn voor de betaling van het griffierecht te geven.
Dit betekent dat het verzet ongegrond wordt verklaard.
Voor een veroordeling in de proceskosten van het verzet is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door H.C.P. Venema, in tegenwoordigheid van C.A.E. Bon als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 oktober 2018.
(getekend) H.C.P. Venema
(getekend) C.A.E. Bon

IJ