ECLI:NL:CRVB:2018:3229
Centrale Raad van Beroep
- Verzet
- Rechtspraak.nl
Verzet tegen niet-ontvankelijkverklaring hoger beroep wegens niet-betaling griffierecht ongegrond verklaard
Appellant stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, maar dit hoger beroep werd niet-ontvankelijk verklaard omdat het griffierecht niet binnen de gestelde termijn was betaald. Appellant voerde betalingsonmacht aan, maar dit beroep werd afgewezen omdat hij niet voldeed aan de criteria daarvoor.
Appellant deed vervolgens verzet tegen de niet-ontvankelijkverklaring. Tijdens de zitting ter behandeling van het verzet waren beide partijen niet aanwezig. De Raad overwoog dat appellant geen nieuwe feiten of omstandigheden had aangevoerd die konden rechtvaardigen dat hij niet in verzuim was geweest met de betaling van het griffierecht.
Gezien de overgelegde stukken en de jurisprudentie werd het beroep op betalingsonmacht opnieuw verworpen. Daarom verklaarde de Centrale Raad van Beroep het verzet ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
De uitspraak werd op 19 oktober 2018 in het openbaar gedaan door de enkelvoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep.
Uitkomst: Het verzet tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep wegens niet-betaling van het griffierecht wordt ongegrond verklaard.