ECLI:NL:CRVB:2018:3247
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante, werkzaam als schoonmaakster en gastvrouw, viel uit wegens gezondheidsklachten en vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde vast dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en wees de uitkering af. Zowel een verzekeringsarts als een arbeidsdeskundige concludeerden dat de beperkingen van appellante juist waren vastgesteld en dat zij geschikt was voor de geselecteerde functies.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en vond geen aanleiding om te twijfelen aan het medisch oordeel van het UWV. Appellante voerde in hoger beroep aan dat zij meer beperkingen had, met name voor reiken, buigen, duwen, trekken en tillen, en dat de geselecteerde functies niet passend waren.
De Raad oordeelde dat appellante haar standpunten herhaalde zonder nieuwe medische gegevens en onderschreef het oordeel van de rechtbank. De functies zijn passend en de beperkingen zijn adequaat in kaart gebracht. Het hoger beroep wordt verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de weigering van de WIA-uitkering bevestigd.