ECLI:NL:CRVB:2018:3278

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
19 oktober 2018
Publicatiedatum
23 oktober 2018
Zaaknummer
17/6309 WAO-V
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verzet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:55 lid 7 AwbArt. 8:108 lid 1 AwbArt. 8:54 Awb
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen niet-ontvankelijkheid hoger beroep wegens niet-betaling griffierecht ongegrond verklaard

Appellant heeft verzet ingesteld tegen de beslissing van de Centrale Raad van Beroep die het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaarde omdat het griffierecht niet binnen de gestelde termijn was betaald.

De Raad overwoog dat appellant geen feiten of omstandigheden had aangevoerd die rechtvaardigen dat hij niet in verzuim was. Hoewel appellant stelde dat hij in mei 2017 had meegedeeld niet in staat te zijn het griffierecht te voldoen wegens gebrek aan inkomen, was het hoger beroep toen nog niet aanhangig bij de Raad.

De Raad benadrukte dat appellant in de nieuwe procedure opnieuw vrijstelling van het griffierecht had moeten aanvragen, wat niet was gebeurd binnen de daarvoor geldende termijn. Daarom werd het verzet ongegrond verklaard.

Een proceskostenveroordeling werd niet opgelegd. De uitspraak werd gedaan door H.C.P. Venema, in aanwezigheid van griffier C.A.E. Bon, op 19 oktober 2018.

Uitkomst: Het verzet wordt ongegrond verklaard wegens niet tijdige betaling van het griffierecht.

Uitspraak

Datum uitspraak: 19 oktober 2018
17/6309 WAO-V
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:55, zevende lid, en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 19 juli 2017, 17/2017 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats], Marokko (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

PROCESVERLOOP

Bij uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht van 16 mei 2018 heeft de Raad het door appellant ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard.
Namens appellant heeft [naam] verzet gedaan.
Het verzet is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 7 september 2018, waar partijen niet zijn verschenen.

OVERWEGINGEN

De uitspraak van de Raad van 16 mei 2018 berust op de overwegingen dat het griffierecht niet binnen de gestelde termijn is betaald en dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is geweest.
In verzet stelt de gemachtigde van appellant dat hij al in mei 2017 heeft meegedeeld dat appellant niet in staat is om het griffierecht te voldoen aangezien hij geen inkomen heeft.
De Raad is van oordeel dat appellant in verzet geen feiten of omstandigheden heeft aangevoerd op grond waarvan zou moeten worden geoordeeld dat hij niet in verzuim is geweest. In mei 2017 was het onderhavige hoger beroep nog niet bij de Raad aanhangig. Mogelijk heeft appellant voor de procedure bij de rechtbank om vrijstelling van het griffierecht verzocht. Appellant dient echter in een nieuwe procedure opnieuw om vrijstelling te vragen en desgevraagd opnieuw informatie te verschaffen. Niet is gebleken dat appellant binnen de daarvoor geldende termijn vrijstelling heeft verzocht van het in hoger beroep verschuldigde griffierecht.
Dit betekent dat het verzet ongegrond wordt verklaard.
Voor een proceskostenveroordeling van het verzet is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door H.C.P. Venema, in tegenwoordigheid van C.A.E. Bon als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 oktober 2018.
(getekend) H.C.P. Venema
(getekend) C.A.E. Bon
ew