ECLI:NL:CRVB:2018:3289
Centrale Raad van Beroep
- Proces-verbaal
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens niet hoofdverblijf op uitkeringsadres
Appellant ontving vanaf 1 februari 2014 bijstand op grond van de Participatiewet, ingeschreven op het uitkeringsadres. Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag trok de bijstand met ingang van die datum in en vorderde €23.502,86 terug, omdat appellant niet op het uitkeringsadres zou hebben gewoond.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep betwistte appellant niet de waterverbruiksgegevens van Dunea, maar stelde dat de meterstanden onjuist waren afgelezen en dat het waterverbruik gemiddeld 7 m³ per jaar bedroeg. Het college stelde dat het waterverbruik extreem laag was en dat dit de conclusie rechtvaardigde dat appellant niet zijn hoofdverblijf op het uitkeringsadres had.
De Centrale Raad oordeelde dat het extreem lage waterverbruik de vooronderstelling rechtvaardigt dat appellant niet op het uitkeringsadres woonde en dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij wel zijn hoofdverblijf daar had. Zijn verklaringen over veel buitenshuis zijn, douchen elders en een kapotte geiser waren niet afdoende. Het hoger beroep werd verworpen en de intrekking en terugvordering bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking en terugvordering van bijstand bevestigd.