Appellante en haar partner ontvingen bijstand vanaf 2007. Het college trok de bijstand over 2008-2011 in en vorderde terugbetaling wegens niet opgegeven inkomsten. Appellante vroeg langdurigheidstoeslag aan, die in eerste instantie werd afgewezen en gehandhaafd na bezwaar. Vervolgens gaf het college een nieuw besluit op bezwaar waarin de aanvraag opnieuw werd afgewezen.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen het eerste besluit niet-ontvankelijk en het beroep tegen het tweede besluit ongegrond, zonder proceskosten toe te wijzen. In hoger beroep stelde appellante dat de rechtbank ten onrechte geen proceskostenvergoeding toekende, omdat het college een nieuw besluit op bezwaar had genomen tijdens de beroepsprocedure.
De Raad oordeelde dat het college terecht het beroep tegen het eerste besluit niet-ontvankelijk verklaard zag, maar dat de rechtbank had moeten overwegen dat het procesbelang was komen te vervallen door het nieuwe besluit op bezwaar. Hoewel het tweede besluit op een onjuiste grondslag was gebaseerd, was appellante niet benadeeld. De Raad vernietigde het deel van het vonnis dat geen proceskostenvergoeding toekende en veroordeelde het college tot vergoeding van in totaal € 2.254,50 aan proceskosten en € 170 aan griffierecht.