Uitspraak
16.6707 WWB
.Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Seme. Als tolk is verschenen M. Cordes. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door J. van der Wal.
Centrale Raad van Beroep
Appellant ontving bijstand sinds mei 2013 en stond ingeschreven op een adres waar hij een kamer huurde. Na een rechtmatigheidsonderzoek bleek dat appellant in augustus 2014 inkomsten had ontvangen zonder dit te melden. Het college verzocht om nadere informatie, maar de brief werd retour ontvangen. Op 25 september 2014 meldde appellant telefonisch dat hij uit huis was gezet, maar kon geen nieuw verblijfadres opgeven. De verhuurder bevestigde dat appellant sinds 1 september 2014 niet meer op het uitkeringsadres woonde en onbekend was waar hij verbleef.
Het college trok de bijstand per 1 september 2014 in wegens het ontbreken van een bekend verblijfadres en het niet nakomen van de inlichtingenverplichting. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en in hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dit oordeel. Appellant kon niet aannemelijk maken dat hij tijdig melding had gemaakt van zijn gewijzigde woonsituatie en verstrekte geen concrete gegevens over zijn verblijfplaats.
De Raad oordeelde dat de schending van de inlichtingenverplichting een rechtsgrond vormt voor intrekking van de bijstand, omdat daardoor niet kan worden vastgesteld of appellant recht op bijstand had. Het hoger beroep werd afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand wordt bevestigd omdat appellant zijn verblijfplaats niet heeft doorgegeven.