ECLI:NL:CRVB:2018:3559
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing uitkering vroeggehandicapten wegens geschiktheid voor geselecteerde functies
Appellante, geboren in 1993, vroeg op grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten een uitkering aan vanwege klachten van knieën, heupen en schouders, aangeduid als fibromyalgie. Het UWV wees de aanvraag af omdat zij geschikt werd geacht voor bepaalde functies die rekening hielden met haar beperkingen.
De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van appellante ongegrond, stellende dat de verzekeringsartsen de medische situatie en psychische beperkingen zorgvuldig hadden meegewogen en dat de geselecteerde functies passend waren. In hoger beroep herhaalde appellante haar klachten en benadrukte de noodzaak van rustmomenten, maar bracht geen nieuwe medische gegevens in.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het UWV terecht de aanvraag had afgewezen. De verzekeringsartsen hadden de beperkingen adequaat vastgesteld op basis van informatie van diverse behandelaars. De Raad volgde de rechtbank in het oordeel dat de belasting van de geselecteerde functies de mogelijkheden van appellante niet overschrijdt. Het hoger beroep werd afgewezen en de uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De aanvraag van appellante om een uitkering voor vroeggehandicapten is terecht afgewezen omdat zij geschikt is voor de geselecteerde functies.