ECLI:NL:CRVB:2018:3665
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen recht op WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante viel in januari 2011 uit wegens lichamelijke en psychische klachten en vroeg meerdere malen een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde vast dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was, waardoor geen recht op uitkering ontstond. De rechtbank vernietigde het besluit van het UWV wegens een gebrekkige arbeidskundige onderbouwing, maar liet de rechtsgevolgen in stand omdat een aanvullend arbeidskundig rapport het gebrek herstelde.
In hoger beroep betoogde appellante dat haar beperkingen, vooral door angst- en pijnklachten, onderschat waren en dat de geselecteerde functies niet geschikt voor haar waren. Zij verzocht ook om inschakeling van een onafhankelijke verzekeringsarts. De Raad volgde echter de rechtbank in haar oordeel dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat er geen twijfel bestaat over de juistheid van de medische beoordeling.
De Raad oordeelde dat de arbeidsdeskundige voldoende had gemotiveerd dat de belasting van de geselecteerde functie van machinaal metaalbewerker binnen de belastbaarheid van appellante valt. De Raad wees het hoger beroep af en bevestigde het bestreden besluit, evenals de afwijzing van het verzoek tot schadevergoeding en proceskosten.
Uitkomst: Hoger beroep wordt afgewezen; geen recht op WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.