ECLI:NL:CRVB:2018:3706
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- K.J. Kraan
- Rechtspraak.nl
Bevestiging disciplinaire straf wegens herhaald plichtsverzuim ambtenaar gemeente Rotterdam
Appellant was sinds 1999 werkzaam bij de gemeente Rotterdam en had sinds 2012 regelmatig ziekteverzuim. Na re-integratieadviezen en afspraken over werktijden, verscheen appellant in 2015 herhaaldelijk te laat op het werk. Het college legde disciplinaire straffen op, oplopend van schriftelijke berisping tot vermindering van salaris met de laatste twee periodieke verhogingen gedurende twee jaar.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij vanwege sarcoïdose, gediagnosticeerd in 2016, niet tijdig kon verschijnen. Medische stukken en een deskundigenrapport van het Nationaal Expertisecentrum Sarcoïdose konden echter geen verband aantonen tussen de ziekte en het te laat komen in 2015. Ook het argument van benadeling vanwege zijn rol in de ondernemingsraad werd niet onderbouwd.
De Raad oordeelt dat het plichtsverzuim aan appellant kan worden toegerekend, dat het college bevoegd was tot strafoplegging en dat de opgelegde straf niet onevenredig is gezien het terugkerende patroon van te laat komen ondanks eerdere straffen. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank Rotterdam bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de disciplinaire straf van salarisvermindering wegens herhaald plichtsverzuim.