ECLI:NL:CRVB:2018:3729

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
1 november 2018
Publicatiedatum
23 november 2018
Zaaknummer
17/2094 ANW-PV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4 ANW
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet wegens ontbreken schriftelijke onderhoudsverplichting

Appellante, geboren in 1962, was gehuwd met haar ex-partner die in 2013 overleed. Na hun echtscheiding in 2005 vroeg zij een nabestaandenuitkering aan op grond van de Algemene nabestaandenwet (ANW). Deze aanvraag werd afgewezen omdat zij op het moment van overlijden niet met hem samenwoonde, niet gehuwd was en er geen schriftelijke onderhoudsverplichting bestond.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, omdat de verklaringen van appellante en getuigen over mondelinge afspraken en betalingen niet voldoen aan de wettelijke vereisten van artikel 4 ANW Pro, die een officiële schriftelijke onderhoudsverplichting voorschrijven.

In hoger beroep overhandigde appellante een akte van een schriftelijke getuigenis, maar ook deze werd niet als voldoende bewijs erkend. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat alleen schriftelijke en officieel erkende documenten een onderhoudsverplichting kunnen aantonen. Mondelinge overeenkomsten en getuigenverklaringen, zeker als ze jaren na de echtscheiding zijn opgesteld, voldoen hier niet aan.

Daarom werd het beroep van appellante afgewezen en de eerdere beslissing bevestigd dat zij niet als nabestaande in de zin van de ANW kan worden aangemerkt en dus geen recht heeft op een nabestaandenuitkering.

Uitkomst: De aanvraag van appellante voor een nabestaandenuitkering wordt afgewezen wegens ontbreken van een schriftelijke onderhoudsverplichting.

Uitspraak

17.2094 ANW-PV

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 3 februari 2017, 16/6101 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
Datum uitspraak: 1 november 2018
Zitting heeft: mr. M.F.J.M. de Werd
Griffier: H. Achtot
Appellante is niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. J.A.H. Koning

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen:
1.1.
Appellante, geboren in 1962, is tot [februari] 2005 gehuwd geweest met [X.] ([X.]), geboren in 1947. Het huwelijk is ontbonden door echtscheiding. [X.] is [in] 2013 overleden.
1.2.
Bij besluit van 25 april 2016 is de aanvraag van appellante om een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (ANW) afgewezen, omdat zij op de dag van het overlijden van [X.] niet met hem samenwoonde of met hem was gehuwd. Ook was
[X.] voorafgaand aan zijn overlijden niet verplicht alimentatie aan appellante te betalen. Bij beslissing op bezwaar van 11 augustus 2016 (bestreden besluit) heeft de Svb het bezwaar van appellante tegen het besluit van 25 april 2016 ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft hiertoe onder meer overwogen dat de verklaring van appellante van 14 oktober 2015, waarin staat dat zij maandelijks vanaf de echtscheidingsdatum een bedrag van 5000 Marokkaanse dirham heeft ontvangen van haar ex-partner, evenals de verklaring van twaalf getuigen die hebben verklaard dat zij maandelijks een bedrag voor levensonderhoud van haar ex-partner ontvangt, geen documenten zijn als bedoeld in artikel 4 van Pro de ANW.
3. In hoger beroep heeft appellante een “akte geschreven getuigenis” van 27 januari 2017 overgelegd, waarin is opgenomen dat zij voor twee notariële ambtenaren aangesteld bij het Hof van Beroep te Nador getuigd en verklaard heeft dat zij van haar ex-echtgenoot een maandelijks bedrag van 5000 Marokkaanse dirham heeft ontvangen om voor al haar zaken en levensbehoeften voor haar gezin te gebruiken, op basis van een mondelinge overeenkomst die zij hadden gesloten.
4. De Svb heeft gesteld dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Op grond van artikel 4, eerste lid, van de ANW kan, voor zover hier van belang, appellante slechts als nabestaande worden aangemerkt indien [X.] onmiddellijk voorafgaand aan zijn overlijden verplicht was levensonderhoud aan appellante te verschaffen. Deze plicht dient bovendien uit één van de, met name genoemde officiële documenten te volgen. De Svb hanteert hierbij het beleid dat aan de voorwaarden van artikel 4, aanhef en onder b, van de ANW wordt geacht te zijn voldaan, indien sprake is van een schriftelijke alimentatie-overeenkomst die ten tijde van de echtscheiding tot stand is gekomen in een met voldoende waarborgen omklede procedure. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat appellante niet met schriftelijke bewijzen heeft onderbouwd dat [X.] verplicht was haar levensonderhoud te verschaffen. De getuigenverklaringen uit 2015 en 2017 zijn geen documenten als bedoeld in artikel 4 van Pro de ANW en zijn bovendien meer dan tien jaar na de echtscheiding opgesteld. Zelfs indien wel sprake zou zijn van een mondelinge overeenkomst tot betaling van levensonderhoud, voldoet een dergelijke overeenkomst niet aan de vereisten van artikel
4 ANW. De rechtbank heeft dan ook met juistheid vastgesteld dat appellante niet kan worden aangemerkt als nabestaande in de zin van de ANW, waardoor zij niet voor een
ANW-uitkering in aanmerking komt.
6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier De voorzitter
(getekend) H. Achtot (getekend) mr. M.F.J.M. de Werd
GdJ