Uitspraak
17.2094 ANW-PV
BESLISSING
4 ANW. De rechtbank heeft dan ook met juistheid vastgesteld dat appellante niet kan worden aangemerkt als nabestaande in de zin van de ANW, waardoor zij niet voor een
Centrale Raad van Beroep
Appellante, geboren in 1962, was gehuwd met haar ex-partner die in 2013 overleed. Na hun echtscheiding in 2005 vroeg zij een nabestaandenuitkering aan op grond van de Algemene nabestaandenwet (ANW). Deze aanvraag werd afgewezen omdat zij op het moment van overlijden niet met hem samenwoonde, niet gehuwd was en er geen schriftelijke onderhoudsverplichting bestond.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, omdat de verklaringen van appellante en getuigen over mondelinge afspraken en betalingen niet voldoen aan de wettelijke vereisten van artikel 4 ANW Pro, die een officiële schriftelijke onderhoudsverplichting voorschrijven.
In hoger beroep overhandigde appellante een akte van een schriftelijke getuigenis, maar ook deze werd niet als voldoende bewijs erkend. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat alleen schriftelijke en officieel erkende documenten een onderhoudsverplichting kunnen aantonen. Mondelinge overeenkomsten en getuigenverklaringen, zeker als ze jaren na de echtscheiding zijn opgesteld, voldoen hier niet aan.
Daarom werd het beroep van appellante afgewezen en de eerdere beslissing bevestigd dat zij niet als nabestaande in de zin van de ANW kan worden aangemerkt en dus geen recht heeft op een nabestaandenuitkering.
Uitkomst: De aanvraag van appellante voor een nabestaandenuitkering wordt afgewezen wegens ontbreken van een schriftelijke onderhoudsverplichting.