ECLI:NL:CRVB:2018:3730
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering nabestaandenuitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Na het overlijden van haar echtgenoot kreeg appellante een nabestaandenuitkering omdat haar jongste kind tot haar huishouden behoorde en jonger was dan 18 jaar. Toen het kind 18 werd, trok de Sociale Verzekeringsbank (Svb) de uitkering in, met de mogelijkheid tot voortzetting bij een arbeidsongeschiktheid van 45% of meer.
Appellante stelde dat zij meer dan 45% arbeidsongeschikt was. Het UWV voerde een medisch en arbeidskundig onderzoek uit en adviseerde de Svb om appellante niet als arbeidsongeschikt te beschouwen. De Svb weigerde daarop een uitkering toe te kennen, wat door appellante werd aangevochten. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat het onderzoek zorgvuldig was en de beperkingen van appellante niet onderschat.
In hoger beroep herhaalde appellante haar bezwaren, maar leverde geen nieuwe informatie die twijfel zou kunnen zaaien over de vastgestelde beperkingen. De Centrale Raad van Beroep onderschreef de rechtbank en concludeerde dat het bestreden besluit op een deugdelijke medische en arbeidskundige grondslag berust. De uitkering wordt daarom terecht geweigerd en de aangevallen uitspraak wordt bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de nabestaandenuitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.