Appellant ontving bijstand en werd uitgesloten van bijstand na ontdekking van een hennepkwekerij in zijn woning. Het dagelijks bestuur trok de bijstand in over de periode van oktober 2014 tot december 2015 en vorderde terugbetaling van de kosten.
De Raad beoordeelde dat appellant de kwekerij heeft geëxploiteerd zonder dit te melden, maar dat het college onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat appellant over de gehele periode werkzaamheden had verricht. De Raad stelde vast dat aannemelijk was dat appellant vanaf eind juli 2015 tot december 2015 op geld waardeerbare activiteiten had verricht, maar niet daarvoor.
Het beroep op de onschuldpresumptie faalde omdat appellant niet strafrechtelijk was vrijgesproken over de gehele periode. De Raad vernietigde het besluit voor het deel van de periode waarin onvoldoende bewijs was en bepaalde dat het dagelijks bestuur een nieuwe beslissing moet nemen over de terugvordering voor de resterende periode. Tevens werden proceskosten aan appellant toegekend.